Hendrik Conscience
1812 - 1883

Henri (Hendrik) Conscience (Antwerpen, 3 december 1812 – Elsene, 10 september 1883) was een Vlaams schrijver.
Hij werkte zich door talent en ijver op tot een Vlaams volksschrijver. Er wordt van hem gezegd dat hij "de man was die zijn volk leerde lezen."
Naast schrijver was hij ook bestuurder, griffier, redacteur, arrondissementscommissaris en conservator van musea.

Door middel van zijn 'schilderende' teksten probeerde hij het volk op te voeden en te onderwijzen. Conscience was pro-Belgisch maar tegelijk bleek uit zijn geschriften een felle Vlaamsgezindheid. Zijn populairste werk, De leeuw van Vlaanderen, werd bijna een eeuw later verfilmd door Hugo Claus.

Conscience schreef aanvankelijk Franse gedichten. In 1837 publiceerde hij In 't Wonderjaer 1566 en Phantasy, maar deze werken kenden weinig succes. In deze tijd had hij zware financiële problemen. Hij kreeg van Leopold I een subsidie en kreeg ook de erefunctie van leraar Nederlands van de koninklijke prinsen.

Conscience werd hoogstwaarschijnlijk geïnspireerd tot het schrijven van De leeuw van Vlaanderen na het zien van het schilderij De Groeningeslag van Nicaise De Keyser in het Antwerpse Vleeshuis. In de roman beschrijft hij de Guldensporenslag, die hij als achtergrond gebruikt om de liefdesavonturen te schetsen van Machteld, de dochter van Robrecht III van Bethune met ridder Adolf van Nieuwlandt. Een aantal passages in het boek, die niet stroken met de geschiedenis, probeerde hij later in zijn Geschiedenis van België recht te zetten. Met het grote succes van De leeuw van Vlaanderen verdiende Conscience de titel "de man die zijn volk leerde lezen". Verder heeft dit boek sterk bijgedragen tot de Vlaamse bewustwording in de 19de eeuw en de groei van de Vlaamse Beweging tot in de 20ste eeuw.

Zijn letterkundige werken verwierven toen reeds zoveel bijval, dat het Wappers, die bestuurder van Antwerpens Academie werd, gelukte, hem op 6 november 1841 tot zijn griffier te doen benoemen. Ook in dit ambt ontmoette de schrijver van allerlei zijden weerstand.

In 1842 huwde Conscience met Maria Peinen. Ze kregen vijf kinderen, van wie er vier jong overleden: Hildevert (Antwerpen 1843 - Diksmuide 1869), Machteld (Antwerpen 1848 - Antwerpen 1851), Marie (1852-1922), Clara (Antwerpen 1855 - Kortrijk 1857) en Hendrik (Antwerpen 1857 - Elsene 1869). Beide zonen overleden aan de gevolgen van tyfus, Clara aan kroep. Marie trad in 1870 in het huwelijk met de dichter-componist Gentil Antheunis. Conscience vluchtte weg uit de stad, naar Schilde en maakte er vele wandelingen. Op een dag kwam hij in een hoeve in Zoersel waar hij de inspiratie voor De loteling opdeed.

Het in 1843 verschenen Hoe men schilder wordt was het eerste boek van een nieuwe periode. Het was het levensverhaal van zijn vriend Edward Dujardin, die verschillende van zijn werken illustreerde.

Samen met enkele bevriende letterkundigen was hij medeoprichter van het Vlaamsgezinde dagblad Vlaemsch België, dat in Brussel uitgegeven werd vanaf 1 januari 1844 maar al in november van datzelfde jaar ter ziele ging.

Nadat zijn beschermheer Wappers van het bestuur van de academie had moeten afzien, gaf ook Conscience zijn ontslag op 3 februari 1854. Om de vervolgde Vlaamse schrijver te troosten en op te beuren, gaven zijn Antwerpse vrienden en bewonderaars hem feesten, op welke de gevierde kunstenaar zijn buitengewone redenaarsgaven deed uitschijnen. Het was een droeve tijding voor de Vlaamse kunststad Antwerpen toen het ministerie van Binnenlandse Zaken hem op 6 januari 1857 benoemde tot arrondissementscommissaris in Kortrijk. Daar leefde Conscience, tot hij op 10 september 1868 werd aangesteld als bewaarder der koninklijke musea voor schilder- en beeldhouwkunst in Brussel. Terwijl hij daar in het Wiertzmuseum was gevestigd, vierde men tijdens een druk bijgewoond feest de publicatie van zijn honderdste boekdeel.

De inhuldiging van zijn standbeeld (van beeldhouwer Frans Joris) in Antwerpen op 13 augustus 1883 kon hij wegens ziekte niet bijwonen. Hij stierf op 10 september 1883.

Zes dagen later werd zijn gebalsemd lijk in Antwerpen met vorstelijke luister begraven op het Kielkerkhof, waar op 19 september 1886 boven zijn grafkelder een gedenkzuil werd geplaatst, eveneens van de hand van Frans Joris. Tijdens deze plechtigheid liet Peter Benoit de "Treur- en Triomfzang" ("Conscience-cantate") uitvoeren, een compositie op een gedicht van Victor Alexis de la Montagne. Later werden het stoffelijk overschot van de schrijver en zijn grafmonument naar het Schoonselhof overgebracht, waar het tegenover perk U te bezichtigen is.

Bibliografie:


Terug