Z.E.H. Guido Gezelle
1830 - 1899

Geboren te Brugge op 1/5/1830.
Tegenwoordig is zijn geboortehuis in de Brugse Rolweg een "Gezellemuseum".

Zijn moeder Monica Devriese was een eerder schuchtere en zeer godvruchtige boerendochter terwijl Guido's vader Pieter-Jan, een levenslustige en volkse kerel, als tuinier heel goed met de natuur vertrouwd was, een gave die in de werken van Guido Gezelle ook duidelijk naar voor zou komen.
Na zijn schooltijd in zijn geboortestad ging Guido in 1846 zijn middelbare studies voltooien aan het Klein Seminarie in Roeselare.
Verder studeerde hij tot 1854 aan het Groot Seminarie te Brugge.

Nog voor zijn priesterwijding ging hij weer naar het Klein Seminarie van Roeselare, dit keer als leraar.
Al vlug kwamen daar zijn grote dichtersgaven naar voor.
In 1858 verschenen zijn bundels "Kerkhofblommen" en "Vlaemsche Dichtoefeningen".

Die had hij speciaal voor de Roeselaarse studenten geschreven.
De jonge leraar trachtte op een voor die tijd tamelijk onconvenionele wijze een religieus (katholiek) en Vlaams idealisme te wekken bij zijn leerlingen (o.a. Hugo en Gustaaf Verriest, Eugeen van Oye), voor wie hij een merkwaardig oorspronkelijke nieuwe poëzie schiep in een gewestelijke Westvlaamse schrijftaal: een spontaan en enthousiast ritmisch spel van woorden en beelden.

In 1862 - als hij weer in Brugge is - wordt zijn derde bundel "Gedichten, Gezangen en Gebeden" gepubliceerd.

In de jaren 1860-1861 wordt hij eerst mededirecteur van een Engels college in Brugge, en daarna wordt hij professor wijsbegeerte aan het Seminarium Anglo-Belgicum (1861-65).
In 1865 werd hij onderpastoor in de Brugse Sint Walburgaparochie.

Nu dichtte hij tijdelijk niet meer, doch schreef hij (vooral historische en taalkundige) verhalen voor zijn tijdschrift "Rond den Heerd".
Tevens waagde hij zich ook aan politieke journalistiek, eerst "in 't Jaer 30" (1864-70), later "in 't Jaer 70" (1870-72).
Dit soort werk zorgde er mee voor dat zijn verblijf in Brugge niet zo gelukkig afliep.

Toen werd hij onderpastoor in Kortrijk en bloeide daar weer open.
Hij was er graag gezien en maakte er veel vrienden voor wie hij een groot aantal gelegenheidsgedichten schreef.
Hij schreef ook weer in de plaatselijke kranten en richtte "Loquela" op, een nieuw tijdschrift waarin taal- en volkskunde weer aan bod kwamen.
Ook publiceerde hij een meesterlijke vertaling van Longfellows Hiawatha.

Gezelle dichtte weer en produceerde tussen 1880-83 en vanaf 1890 tot aan zijn dood twee bundels met prachtige natuurgedichten, diep religieuze overdenkingen en beschouwingen over leven, dood en eeuwigheid.

In 1893 verscheen "Tijdkrans" en in 1897 "Rijmsnoer".
Posthuum werden de nagelaten gedichten gepubliceerd in "Laatste Verzen" (1901).
Bij het lezen van Gezelle wordt men steeds weer geraakt door het eigen geluid en het unieke karakter van zijn toon en visie.
Al heeft hij de invloed van vele dichters ondergaan, toch herkent men steeds onmiddellijk Gezelle's vaste greep op ritme en rijm, het uitgebreid woordpalet waarmee hij zijn onderwerpen schildert, zijn bijzondere opmerkingsgeest, die altijd weer dingen ontdekt waar anderen nauwelijks aandacht aan schenken.

Een opmerkelijke uitspraak die de Vlaamse componist Victor Legley ooit deed toen hij tijdens een televisiegesprek gevraagd werd over zijn zin om Guido Gezelle's werk op muziek te zetten was: "De gedichten van Gezelle zijn zo mooi dat ze geen muziek meer nodig hebben".
Guido Gezelle overleed te Brugge op 27/11/1899 doch liet zijn volk een schat aan literatuur na.

Een greep uit zijn werken:


Terug