Leo Vindevogel
1888 - 1945

Leo Vindevogel werd op 14 december 1888 geboren te Petegem, een dorp in het arrondissement Oudenaarde, In 1907 kwam hij naar de taalgrensstad Ronse, waar hij onderwijzer werd aan de vrije katholieke school. Hij was er een der stichters van de Christen Volksbond en trad toe tot de Katholieke Partij.
Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog meldde hij zich als oorlogsvrijwilliger.
ln 1921 werd hij gemeenteraadslid en schepen van Onderwijs te Ronse en in 1925 katholiek volksvertegenwoordiger voor het arrondissement Oudenaarde.
In 1926 stichtte hij de 'Katholieke Vlaamsche Volkspartij', die bij de verkiezingen van 1929 een lijst indiende, gekoppeld aan die van de Vlaams-nationalisten in Oost-Vlaanderen.
Vindevogel werd opnieuw verkozen.
In 1932, 1936 en 1939 werd hij, opnieuw als kandidaat op de lijst van de Katholieke Partij, eveneens naar de Kamer gezonden.
Daar bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog de socialistische burgemeester en minister Eugène Soudan het land verlaten had, werd Vindevogel op 2 januari 1941 tot burgemeester benoemd.
Bij de bevrijding gearresteerd, werd hij op 9 maart 1945 veroordeeld tot levenslange opsluiting.
Hij ging echter in beroep en kreeg op 30 april 1945 de doodstraf.
Op 25 september 1945 werd hij te Gent terechtgesteld.

Te Ronse was Vindevogel een van de stichters van de Christen Volksbond, de organisatie die niet alleen de rechten van de arbeiders -hoofdzakelijk werkzaam in de textielindustrie- verdedigde, maar weldra ook het voornaamste bolwerk van Vlaamse strijd in de Vlaamse Ardennen zou worden.
Hij trad er ook toe tot de Katholieke Partij, te Ronse beheerst door het machtige Fransgezinde patronaat, en werd de woordvoerder van de arbeiders en de vlaamsgezinden.
Toen reeds bracht dit spanningen teweeg en werden er pogingen ondernomen om de groeiende macht en populariteit van Vindevogel te ondermijnen.
Als oorlogsvrijwilliger werd Vindevogel geconfronteerd met de behandeling van de Vlaamse frontsoldaten, waardoor zijn Vlaamse overtuiging steeds radicaler werd.
Hij schreef brieven naar Frans van Cauwelaert, waarin hij de misstanden aanklaagde; enkele van deze brieven werden onderschept en waren aanleiding tot een onderzoek.
Vindevogel werd licht gestraft. Andere brieven, ondertekend met V.R., die aan het front doorgegeven werden en aanvankelijk aan de gebroeders Van Raemdonck werden toegeschreven, waren van zijn hand en werden tijdens naoorlogse verkiezingen gebruikt om stemming te maken.
Vindevogel keerde uit de oorlog terug met alle frontstrepen en verscheidene onderscheidingen, maar ook met een Vlaams-nationale overtuiging die hij nooit prijs zou geven.
Door de delicate positie van de Vlamingen aan de taalgrens was hij echter soms verplicht akkoorden af te sluiten, die niet altijd werden geaccepteerd door de extremistische Vlamingen, zodat de vlaamsgezinden van het arrondissement Oudenaarde tussen de twee wereldoorlogen wel eens verdeeld de verkiezingen tegemoet gingen.

In 1921 werd Vindevogel als gemeenteraadslid op de katholieke lijst verkozen en de macht van de Christen Volksbond was reeds zo groot dat het schepenambt van Onderwijs, een sleutelpositie, kon worden opgeëist.
Als schepen van Onderwijs heeft Vindevogel voortreffelijk werk verricht en slaagde hij erin, niettegenstaande tegenkanting in de eigen partij en sabotage vanwege schooldirecties, de verfransing via het onderwijs in te dijken.
Deze beginselvaste politiek, waarin geen enkele concessie werd gedaan, deed de spanningen tussen flaminganten en franskiljons toenemen.
Toen reeds was Vindevogel voor een gedeelte van de Franstaligen te Ronse de vijand die te allen prijze geëlimineerd diende te worden.

Datzelfde jaar 1921 werden ook wetgevende verkiezingen gehouden.
Vindevogel was kandidaat voor de Kamer geweest, evenwel op een onverkiesbare plaats, maar hij was eerste plaatsvervanger.
Bij de wetgevende verkiezingen van 1925 was hij als tweede op de katholieke lijst de concurrent van de kandidaat der Franstaligen, die de eerste plaats innam: er was overeengekomen dat de kandidaat met het grootst aantal naamstemmen naar het Parlement zou gaan.
Vindevogel haalde het, de verkozene Iveyns d'Eeckhoute nam ontslag en Vindevogel vertegenwoordigde het arrondissement Oudenaarde in de Kamer, wat hij tot in 1945 ononderbroken zou blijven doen.
De verkiezingen van 1925, die de deemstering van het franskiljonisme inluidden, betekenden ook de breuk in de Katholieke Partij.
De invloed van de Franstaligen zou steeds meer aangetast worden, maar de aanvallen op Vindevogel verminderden er niet om.
De Christen Volksbond voerde, sinds de stichting van de 'Katholieke Vlaamsche Volkspartij' in 1926 te Ronse, als katholieke radicaal-Vlaamse organisatie, een onafhankelijke koers.
Voor de wetgevende verkiezingen van 1929 koppelde Vindevogel zijn 'Katholieke Vlaamsche Volkspartij' aan de lijst van de Vlaams-nationalisten in Oost-Vlaanderen.
Hij versloeg de kandidaat van de officiële Katholieke Partij, Albert de Vleeschauwer, die later nog minister zou worden.

Het verbond met de Vlaams-nationalisten werd in 1932 verbroken en voor de verkiezingen werd Vindevogel kandidaat op de lijst van de Katholieke Partij, waarin de franskiljonse invloed nu totaal geweerd was.
In 1936 was er een plotselinge opflakkering bij de Franstalige katholieken, die zich achter de Rex-beweging schaarden en erin slaagden hun kandidaat naar het Parlement te sturen, ten koste van de socialistische minister Soudan.
Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog bleef Vindevogel te Ronse.
De gouverneur van Oost-Vlaanderen verzocht hem het ambt van burgemeester uit te oefenen, wat hij na enige aarzeling aanvaardde.
Op 21 januari 1941 werd hij benoemd.
Men geeft nu toe dat hij onpartijdig heeft bestuurd, alleen bezorgd om de bevolking zoveel mogelijk te helpen en zoveel mogelijk leed te besparen.
In het plaatselijke weekblad Het Volk van Ronse schreef hij, zoals voorheen, de politieke artikelen en dat met een vrijmoedigheid, die de Duitse censuur niet steeds aanvaarden kon.
Door zijn vroegere tegenstrevers werd alles wat hij deed tendentieus geïnterpreteerd en in sluikblaadjes werden de gemeenste aantijgingen tegen hem uitgebracht.
Een bomaanslag, waarbij zijn woning zwaar werd geteisterd, en een moordpoging, waaraan hij ternauwernood ontsnapte, waren gevolgen van deze hetze.
In 1944, niettegenstaande het aandringen van vrienden, weigerde Vindevogel te vluchten of onder te duiken.
Hij wilde zijn beleid als burgemeester en zijn politieke houding verantwoorden en was ervan overtuigd dat men hem niets ten laste kon leggen.

Het geding tegen Vindevogel, voor de Krijgsraad op 9 maart 1945 en voor het Krijgshof op 30 april 1945, had niets te maken met een serene rechtspraak en geldt als een van de partijdigste processen, die tijdens de repressie werden gevoerd.
Voor de Krijgsraad tot levenslange opsluiting veroordeeld, werd het vonnis door het Krijgshof in doodstraf omgezet.
Enkele parlementsleden, zeven in totaal, hebben een verzoek om genadeverlening ondertekend, dat door de prins-regent werd afgewezen.

Op 25 september 1945 werd Leo Vindevogel terechtgesteld in de gevangenis van Gent, waar zijn vrouw en zijn kinderen opgesloten waren.
Er werd niet ingegaan op zijn verzoek om zijn familie naar een andere gevangenis over te brengen.
Dat zijn tegenstrevers te Ronse, onder wie sommigen met leugenachtige getuigenissen bijgedragen hadden tot de doodstraf, opgekomen waren om het spektakel bij te wonen en hem in zijn laatste ogenblikken scheldwoorden toestuurden, tekent de mentaliteit.
In zijn politieke loopbaan heeft Vindevogel altijd een onafhankelijke houding aangenomen, wat zijn invloed binnen de partij zeker niet ten goede kwam.
Toch is zijn invloed op het nationale vlak groter geweest dan toegegeven wordt.
Staande tussen fracties, tussen partijen, kon hij bij bepaalde gelegenheden de hoeken afronden en een samenwerking in een of andere aangelegenheid op gang brengen.

Hij was echter in de allereerste plaats de plaatselijke politicus in de beste zin van het woord: de vertegenwoordiger van zijn arrondissement en de werker in eigen streek.
Weinige politici hebben zulk een innig contact met de basis en met de bewoners gehad als hij.
In een stad als Ronse, die door het franskiljonisme werd beheerst, in het zo bedreigde gebied aan de taalgrens is die politiek tenslotte lonend gebleken.
De extremistische Vlaming, de Vlaams-nationalist, die hij ontegensprekelijk was, kende zijn mogelijkheden.
Zijn radicale Vlaamse politiek was naar buiten uit dan toch voldoende genuanceerd, zodat ook minder radicale Vlamingen hem konden volgen.
Als Ronse geleidelijk een Vlaamse stad is geworden en na de oorlog een Vlaamse stad is gebleven, dan is dat in hoofdzaak aan Vindevogel en aan zijn organisatie te danken.


Terug